©

longread 02: Aditi Mayer

Duurzaamheid ís dekolonisatie

De Indiaas-Amerikaanse duurzame modeactivist Aditi Mayer reflecteert op dekoloniale benaderingen van mode, geïnspireerd door haar Zuid-Aziatische identiteit en achtergrond.

Zeven jaar geleden veranderde mijn relatie met mode van shoptherapie en het simpelweg volgen van de laatste trends, naar een verkenning van mijn Zuid-Aziatische identiteit en dekolonisatie.

Ik herinner me mijn eerste stappen in de wereld van duurzame mode nog goed. Het was 2013 en ik stond op het punt om aan mijn bacheloropleiding Journalistiek en Internationale Betrekkingen aan de Universiteit van Californië in Irvine te beginnen. Als dochter van de diaspora vormden design en esthetiek voor mij altijd krachtige middelen om mijn Zuid-Aziatische achtergrond te onderzoeken. Mode werd al snel mijn manier om artistieke expressie te verkennen. Een paar maanden later stortte de Rana Plaza-fabriek in.

Rana Plaza was een acht verdiepingen tellende textielfabriek in Dhaka, Bangladesh, die kleding produceerde voor grote modemerken. Op 23 april 2013 werden er structurele scheuren in het gebouw ontdekt. Onder druk van het management moesten de textielarbeiders de volgende dag toch naar hun werk komen om bestellingen van merken als Zara, Walmart, Benetton en Mango op te leveren. Daar voltrok zich één van de grootste industriële rampen in de geschiedenis: bij de instorting van de fabriek vielen 1.132 doden en meer dan 2.500 gewonden.

Voor mij was Rana Plaza de katalysator voor een nieuwe kijk op mode. Mode ging niet langer alleen maar over een mooi jurkje, maar over de politieke dimensies van arbeid en de onevenredige druk die de industrie wereldwijd uitoefent op gemeenschappen van kleur, met name in Zuid-Azië.

Ook voor de modewereld was de instorting van Rana Plaza een sleutelmoment. De ramp leidde tot een exponentieel gebruik van trefwoorden als duurzaam en ethische mode. Merken trachtten zich in het beste geval te onderscheiden met eerlijke lonen, transparante productieketens en milieuvriendelijke materialen. Er ontstond echter ook een andere, verraderlijke tendens. De duurzame modebeweging werd over de hele linie geleid door welgestelde witte mensen. De aanwezigheid van vrouwen van kleur was vaak gekoppeld aan hun arbeid. Afgezien van de uitvergrote zwart-wit foto’s van de vrouwen die de kleding hadden gemaakt, was ik meestal de enige vrouw van kleur bij duurzame mode-evenementen.

In het narratief rond duurzame mode ontstond zo een sterke tegenstelling tussen het Noorden en het Zuiden van de wereld. In het Noorden was de hoofdpersoon vaak een witte consument die de mogelijkheid had zich in te kopen in een cultuur van mondiaal moralisme. In het Zuiden vormde zich het archetype van een arme vrouw wier lot in de handen van een witte redder lag. Duurzaamheid werd verpakt als iets dat je kan aanschaffen. Bekende slogans als ‘Vote With Your Dollar’ voedden problematische opvattingen over hoe, en nog belangrijker, wie er kon deelnemen aan de beweging: degenen die het konden betalen.

Begrijp me niet verkeerd: bewust consumeren is en blijft belangrijk. De ethische verantwoordelijkheid moet echter niet alleen bij het individu liggen, maar ook bij de industrie die onrecht normaliseerde als onderdeel van haar bedrijfsmodel. De instorting van Rana Plaza was geen onvoorspelbare ramp: het was het resultaat van een systeem dat is gebaseerd op groei ten koste van alles, zelfs mensenlevens. Het maakte zichtbaar dat dit systeem is gebouwd op de onderdrukking van Zwarte mensen en mensen van kleur, en op een institutionele vorm van racisme, een erfenis van een koloniaal verleden. Het is belangrijk om de structuren te bevragen die ervoor zorgden dat deze tragedie kon gebeuren. Wat is de historische context die het systeem creëerde dat op deze manier opereert?

Het koloniale modemodel
Kolonialisme wordt vaak gezien als een abstract begrip uit het verleden. Toch overheersen koloniale denkbeelden en praktijken nog steeds de manier waarop het bedrijfsleven vandaag de dag opereert. Als ik het heb over koloniale praktijken in de mode-industrie, doel ik op de systemen die draaien op de extractie en exploitatie van grondstoffen, van ruwe materialen tot arbeid, als middel voor oneindige groei en succes. De meeste van deze grondstoffen worden gewonnen in landen die zijn gedestabiliseerd door koloniaal geweld.

Zoals veel internationale industrieën die afhankelijk zijn van productie in het Zuiden voor consumptie door het Noorden, is ook de mode-industrie geworteld in een ongelijke uitwisseling. Deze uitwisseling bestaat uit producten die worden geproduceerd tegen schrikbarend lage prijzen, dankzij arbeid die bijna niets kost, die vervolgens worden verkocht met hogere marges in het Noorden. Dit is duidelijk aan de hand in de mode-industrie, die grotendeels opereert volgens de Global Race to The Bottom: het idee dat merken zo snel mogelijk, zo veel mogelijk en zo goedkoop mogelijk produceren. Dit betekent dat voor productie veelal gekozen wordt voor landen die nog steeds gebukt gaan onder de gevolgen van kolonisatie, en dus een bijzonder kwetsbare beroepsbevolking vormen (oftewel: het voortstuwende instrument van uitbuiting).

De overblijfselen van een gewelddadig verleden en heden zijn ingebed in de hele wereld. Als Zuid-Aziatische vrouw, afkomstig uit een cultuur die twee eeuwen lang door de Britse kroon werd gekoloniseerd, denk ik vaak aan de sieraden die de koningin van England nog steeds draagt. Deze werden gestolen uit mijn deel van de wereld om nooit meer teruggegeven te worden. De hedendaagse kolonisten - vergelijkbaar met de Britten van toen - zijn de merken van nu, die in de armste delen van de wereld produceren. Dat is niet vanwege de infrastructuur of betere fabrieken, maar omdat dit de goedkoopste plekken zijn om arbeid en grondstoffen te winnen. In haar artikel voor de eerste Interventie van State of Fashion noemt Sandra Niessen deze plekken ‘opofferingszones’; plaatsen in de wereld waar grondstoffen worden geëxtraheerd en geëxploiteerd ten koste van de kwetsbare bevolking, om voortdurende economische welvaart en groei mogelijk te maken.

Katoenkoninkrijken
De geschiedenis laat zien dat textiel- en modeproductie de koloniale rijken heeft gefaciliteerd en een belangrijke rol speelde in het ontstaan van opofferingszones.

In 1664 werd de Oost-Indische Compagnie opgericht als de grootste importeur van katoen naar Europa. Een systematisch plan was erop gericht om de Indiase textielindustrie en economie te verzwakken door Indiase boeren te dwingen om te stoppen met het verbouwen van eetbare gewassen en over te stappen op de katoenteelt. Hierdoor werden boeren onderworpen aan een vicieuze cyclus van oplopende schulden en nam uiteindelijk ook de lokale voedselvoorziening sterk af.

India moest voortdurend katoen leveren voor de Britse katoenspinnerijen in Lancashire én de markt voor Britse stoffen, zodat de gekoloniseerden afhankelijk en winstgevend bleven voor de kolonisator. India werd een exporteur van grondstoffen, die alleen aan hen terug verkocht werden tegen tarieven die de lokale spinners en wevers niet konden betalen, waardoor zij niet het nodige katoen hadden voor eigen productie. Dit resulteerde in de extractie en vernietiging van de ambachtelijke industrie en landbouwpraktijken die het land niet langer in stand kon houden.

Wat hierin belangrijk is om op te merken is het patroon van uitgebuite arbeid over de hele wereld en de positionering van Groot-Brittannië als de "werkplaats van de wereld". In Groot-Brittannië geproduceerde stoffen ontwrichtten in de negentiende eeuw de Indiase katoenindustrie door de snelheid van het Amerikaans-Britse katoenproductiesysteem, dat profiteerde van het gebruik van slavenarbeid in Amerika. Witte plantage-eigenaren in het Zuiden van Amerika konden onvoorstelbare rijkdommen vergaren met katoen door de inzet van tot slaaf gemaakte mensen uit het Afrikaanse continent. Uitgebuite arbeid en landbouwkundige vaardigheid vormden de basis van een internationale mode-industrie, het eerste grote economische succes van de Verenigde Staten. Dit alles kon gebeuren nadat de oorspronkelijke bevolking van Amerika met geweld van hun land was verdreven om de vruchtbare grond te cultiveren voor deze plantages.

De dekoloniale leiders van India
De geschiedenis laat ook zien dat lokale textiel- en modeproductie opofferingszones kan bevrijden uit hun gijzelingssituatie. Tijdens de Indiase strijd voor onafhankelijkheid van de Britten wakkerde Mahatma Gandhi de Khadi-beweging aan. Deze beweging draaide om het boycotten van stoffen die industrieel vervaardigd waren in Groot-Brittannië en promootte het spinnen van khadi om zo voor meer zelfstandigheid en zelfredzaamheid op het platteland van India te zorgen. Dit vormde het kader voor de grotere Swadeshi-beweging, die nu bekend staat als de 'Make in India’-campagne. De Swadeshi-beweging draaide oorspronkelijk om het idee om alleen goederen te gebruiken die in India waren geproduceerd en om de in Groot-Brittannië geproduceerde goederen te verbranden. Khadi, een met de hand gesponnen en handgeweven Indiaas katoen, is tegenwoordig synoniem van de Indiase onafhankelijkheid.

Ook nu zetten Indiase leiders zich nog steeds in voor een rechtvaardige verdeling van zowel land als arbeid. Zij helpen hierdoor – of dat nu bewust is of niet – de industrie te dekoloniseren. Vandaag de dag werkt bijvoorbeeld Vandana Shiva samen met kleine boeren om inheemse zaadvariëteiten te redden, in verzet tegen GMO-bedrijven als Monsanto. Nishanth Chopra van Oshadi Collective creëerde een regeneratieve modeketen, waarin boeren regeneratief katoen verbouwen waar lokale wevers textiel van maken, met een eigen natuurlijke textielververij en blokdruk-studio. Zoals Chopra in een recent artikel in Vogue zei: “Ik wist niet eens dat mijn manier van werken 'regeneratieve landbouw' werd genoemd. Ik zag het gewoon als de eeuwenoude Indiase vorm van landbouw.

De Kheti Virasat Mission in Punjab heeft als missie om de charkha, het type Indiaas spinnewiel waarnaar wordt verwezen in de leer van Mahatma Gandhi, nieuw leven in te blazen en onder andere de biologische landbouw, waterconservatie, het behoud van biodiversiteit te stimuleren. In een recente documentaire over de organisatie vertelt de adjunct-directeur Rupsi Garg over de nadelige effecten van de Groene Revolutie in Punjab, waaronder de teloorgang van de biologische khadiproductie op boerderijen. In tegenstelling tot wat de vriendelijke naam doet vermoeden, betekende de Groene Revolutie in de jaren zestig en zeventig het einde van de traditionele landbouwmethoden, met name in Punjab. Dit nationale programma werd gesteund door adviseurs uit onder andere de Verenigde Staten. Het stimuleerde Indiase boeren om te telen met pesticiden, high-yield zaden, niet-inheemse gewassen en weinig wisselteelt, met als doel om de opbrengst en de productie van de landbouw te verhogen.

Hoewel de productie van tarwe en rijst door dit initiatief aanvankelijk verdubbelde, verloren de boeren hierdoor inheemse gewassen in de teelt, wat leidde tot het uitsterven van bepaalde gewassoorten. Daarnaast zorgde het er ook voor dat het land in de loop der tijd onvruchtbaar werd, wat in veel gebieden leidde tot verlies van grondwater.

“Door de Groene Revolutie en mechanisatie is deze prachtige traditie van kunst en ambacht verdwenen,” zegt Umendra Dutt, uitvoerend directeur van Kheti Virasat Mission in hun documentaire. “Dit gaat om meer dan alleen garen spinnen op een charkha (...) het gaat om het laten herleven van een hele levensstijl.”

Van duurzaamheid naar dekolonisatie
Als het doel van duurzame mode is om de werkwijze van de huidige mode-industrie te bevragen, dan moet het verder gaan dan het ons simpelweg laten ‘inkopen’ in een weg naar een nieuwe realiteit. We moeten vraagtekens blijven zetten bij het soort systeem dat we proberen te "verduurzamen”. Echte duurzaamheid betekent dat we de mode moeten dekoloniseren. We kunnen immers niet verwachten dat we een probleem kunnen oplossen met dezelfde cultuur die het heeft gecreëerd. Wat betekent dekolonisatie in deze context?

Het dekoloniseren van de mode-industrie is het aanpakken van de welvaartsongelijkheid. De mode-industrie kan niet functioneren zonder de hooggekwalificeerde arbeid van de textielarbeiders, maar het zijn de CEO’s die miljoenen vergaren over de rug van degenen die het minst verdienen. Het zijn niet de kapitalisten die kapitaal creëren, het is de arbeid achter het label. De duurzame modebeweging moet een belangrijke verschuiving teweegbrengen in de manier waarop we tegen deze arbeid aankijken. Textielarbeiders zijn niet vervangbaar. Zij zijn kunstenaars en mode is kunst, geen wegwerpartikel.

Het dekoloniseren van de mode-industrie is ook het herdefiniëren van de maatstaven van succes, voorbij het idee van onbeperkte, exponentiële monetaire groei door middel van de extractie en exploitatie van eindige hulpbronnen en menselijke arbeid. De duurzame modebeweging moet business modellen verkennen die geworteld zijn in circulariteit en een lange levensduur. Het dekoloniseren van de mode-industrie is het ontmantelen van een systeem dat gebaseerd is op snelheid ten koste van kwaliteit, het milieu en de rechten van textielarbeiders.

De duurzame modebeweging moet verder gaan dan een aanpak die geworteld is in willekeurige trends. Zij moet zich inzetten voor een cultuur van persoonlijke stijl en individualiteit, als alternatief voor een consumentencultuur die gebaseerd is op trends en goedkope goederen die hooguit een paar maanden meegaan. Het dekoloniseren van de mode is dus ook het bevragen van macht en hiërarchie, een gesprek dat een intersectionele aanpak vereist die verbonden is aan onder andere klasse, geslacht en ras.

Wie heeft er zeggenschap en toegang tot deze discussie? En wie niet? De duurzame modebeweging moet Zwarte mensen, oorspronkelijke bewoners en mensen van kleur (in referentie naar het Amerikaanse acroniem BIPOC) centraal stellen als leidende actoren. Deze gemeenschappen zijn historisch gezien bijna altijd duurzaam geweest, ondanks de koloniale overheersing. Het dekoloniseren van de mode-industrie is in wezen dus een terugkeer naar de kennis van BIPOC. Regeneratieve landbouw, het gebruik van natuurlijke vezels die mode positioneren als een product van landbouw, en gelokaliseerde economieën zijn geen nieuwe fenomenen. Dit zijn van oorsprong de praktijken van veel BIPOC-culturen, ontstaan voordat de koloniale vormen van landbouw werden geïntroduceerd, en gebaseerd op resultaat en het uitwissen van ‘oorspronkelijkheid’.

Duurzaamheid gaat niet om het opnieuw uitvinden van het wiel – het gaat om het volgen van het voorbeeld van de culturen die altijd een regeneratieve, symbiotische relatie met de planeet hebben gehad.

Dat wil zeggen, duurzaamheid is dekolonisatie.

——

Online publicatie: 23 november 2020

Over de auteur:
Aditi Mayer is een fotojournalist, duurzame modeblogger en arbeidsrechtenactivist uit Los Angeles. Haar werk verkent de raakvlakken van stijl, duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid en kijkt naar de mode-industrie door een lens van dekolonisatie en intersectionaliteit. Haar werkveld strekt zich uit van journalistieke producties voor onder andere PBS, Atmos, Teen Vogue Fashionista tot grassroots activisme voor textielarbeiders in LA. In 2021 zal ze als National Geographic Digital Storyteller een jaar lang de sociale en ecologische effecten van de Indiase modeketen documenteren. Ze is online te vinden @aditimayer of via haar blog, ADIMAY.com.

None

longread 02: Aditi Mayer